Veel gestelde vragen
Wat is het gemiddelde verbruik van de Vlaming?
Er zijn verschillende bronnen voor
het gemiddelde verbruik.
Uit ‘enquête naar energiezuinig gedrag van
huishoudens’, 2003, ANRE (Vlaamse energie administratie, nu VEA): een
gemiddeld gezin heeft een verbruik van 4300 kWh elektriciteit,
3603 m³ gas, 3043 l stookolie.
Uit het jaarverslag van de VREG: Het verbruik van een doorsnee gezin is 2200 kWh elektriciteit overdag en 1300 kWh ’s nachts. Dit kost het gezin ongeveer 560 euro. Voor gas ziet het er als volgt uit: 23260 kWh of ongeveer 2300 m³ gas. Dit kost 1020 euro. Een totale energiefactuur is dus ongeveer 1580 euro (gemiddelde op basis van www.vreg.be op 1 maart 2007).
Hoe verklaren we de verschillen in gemiddelde verbruiken? Een logische verklaring ligt in de bron van de cijfers. De cijfers van ANRE komen uit een enquête van 1000 gezinnen. Die van de VREG zijn een berekend gemiddelde van alle Vlamingen, energiezuinige en verspillende door elkaar. Je kan deze cijfers gebruiken als een vork: een gemiddeld elektriciteitsverbruik loopt van 3500 kWh tot 4300 kWh. In ieder geval, als je je eigen verbruik vergelijkt met deze cijfers, dan weet je of er ruimte is voor energiebesparing of niet. (Op www.vreg.be vind je meer info met zoekargumenten ‘meteropneming – gemiddeld verbruik’).
Kan iedereen meedoen?
Iedereen die zijn verbruik van het voorbije jaar kan voorleggen kan meedoen. Dit verbruik hebben we nodig om te vergelijken met je huidig verbruik. Het verbruik van het voorbije jaar vind je op de laatste afrekeningfactuur van je leverancier. Let er op dat je afrekeningfactuur gaat over een periode van tenminste 9 maanden waarin het winterseizoen is vervat.
Ook gezinnen die zijn verhuisd, hebben bijgebouwd of er een baby bij hebben, kunnen meedoen, maar omdat een objectieve vergelijking tussen twee jaren dan heel moeilijk wordt, wordt hun (meestal sterk afwijkend) resultaat niet meegeteld in het eindresultaat. Ze worden als inactief aangeduid zodat individuele evaluatie wel mogelijk blijft. Zie ‘wat is een referentieverbruik’.
Kunnen mensen die weinig verbruiken nog besparen?
De enige manier om dat te weten te komen is om de doe-het-zelf energie-audit in te vullen. Dan weet je welke tips je nog kunt toepassen om te besparen. De kans is natuurlijk groot dat je de 8% niet haalt omdat je al goed bezig bent. Maar we gaan er dan van uit dat het winnen van de weddenschap voor jou niet het allerbelangrijkste is. Belangrijker is dat je op je nieuwe lage verbruikniveau blijft. En je bent wel de geknipte persoon om mee tips te geven aan de andere deelnemers, want je hebt ervaring in energiebesparing.
Is het toegelaten om gedurende de meetperiode andere energiebronnen aan te spreken vergeleken met de referentiebronnen?
Deelnemers die hun woning gedeeltelijk met hout verwarmen kunnen geneigd zijn om dit aandeel op te drijven om een goede score te behalen. We mikken met deze campagne echter op een gedragsaanpassing zodat meer bewust met energie wordt omgegaan. We hopen dan ook dat ieder het spel fair wil spelen. Bij een grote deelnemersgroep zal een eventueel meerverbruik van hout uiteraard minder doorwegen omdat anderen minder verbruiken.
Wat als een zonnecollector of pv-celllen werden geplaatst?
Wie net een zonneboiler heeft geïnstalleerd valt strikt genomen onder de noemer van ‘verbouwer’ maar omdat het over een specifieke energiemaatregel gaat, nemen we die graag op bij de gemotiveerde deelnemers.
Toch moet er een kanttekening worden gemaakt voor wie reeds langer energie in huis haalt via een zonnecollector.
Een zonneboiler voor warm water en PV-cellen halen een aanzienlijk hoger rendement in de periode mei-oktober, de periode na de campagne wanneer we niet meten. Als referentieperiode wensen we echter een volledig jaar, of toch minstens 9 maanden waarin een winter inbegrepen zit. De eigenaars van collectoren hebben echter een sterk verlaagd verbruik van elektriciteit of gas in de zomer en bijna normaal verbruik (ttz vergelijkbaar met niet-bezitters) in de winter. Voor de vergelijking van het verbruik wordt in het berekeningsprogramma een sinuskromme voor elektriciteits- en warmwaterverbruik gehanteerd met een normale jaarspreiding, met de veronderstelling dat ze ook in de zomer energie verbruiken voor deze functies. Het verbruik gedurende de meetperiode van 6 koude maanden wordt dan uiteraard hoger dan dit “uitgesmeerd” verbruik.
Indien we over een volledig jaar zouden meten (ttz campagne uitsmeren over 12 maanden), wordt aan dit probleem verholpen. Ook scholen of jeugdbewegingen waar gedurende 2 zomermaanden geen energie verbruikt wordt, hebben deze handicap in de campagne.
Je mag ervan uitgaan dat je met een meerverbruik voor gas voor een zonneboiler van +10% op het einde van de meetperiode van 6 maanden (30 april), je tegen eind oktober toch een verdiende -9% behaalt op je gasverbruik.
Het is echter niet evident om eigenaars van zonneboilers of PV een andere berekening te laten uitvoeren (daarvoor zou bovendien het programma moeten worden aangepast) omdat de oppervlakte van de collector varieert.
Kunnen mensen die op stookolie verwarmen, meedoen?
Natuurlijk, maar dan enkel met de meterstanden van elektriciteit. Omdat er op de stookolietank geen meterstanden staan, kunnen we dus ook geen meterstanden noteren. Het is ook moeilijk om het verbruik van het voorbije jaar te bepalen. De tank wordt al gevuld vooraleer ie leeg is.
Wie kan energiemeester zijn?
Iedereen die zin heeft om iets bij te leren over energiebesparing en dat wil doorgeven aan anderen. De energiemeester is het best iemand uit een deelnemende wijk zelf. Hij/zij moet geen specialist zijn in energiebesparing, maar heeft wel wat voeling met het onderwerp. De energiemeester zorgt voor de communicatie tussen de groep en de projectpartners, verspreidt tips aan de deelnemers, is verantwoordelijk voor de meterstanden van de wijk op de website en houdt de deelnemers gemotiveerd. De energiemeester krijgt een basisopleiding en kan tijdens de meetperiode naar energiemeesterbijeenkomsten komen voor aanvullende opleiding en ondersteuning. Per wijk mogen er ook meerdere energiemeesters zijn, dat verlicht het werk.
Waaruit bestaat de energiemeesteropleiding?
Op de energiemeesteropleiding krijgen de energiemeesters alle uitleg over het reilen en zeilen van de campagne. Het accent ligt op wat er voor de energiemeester van belang is en wat er van hem/haar verwacht wordt.
Ook bevat deze reeds een kleine cursus over energiebesparing: wat zijn de eenheden, wat is primaire energie, en diverse besparingstips. Tijdens de energiemeesterbijeenkomsten wordt op sommige thema’s verder ingegaan.
Wat als het heel koud is deze winter? Kan de weddenschap dan wel gewonnen worden?
Meer zelfs, hoe kouder het is, hoe meer mogelijkheden er zijn om al de besparingstips toe te passen. En de website zorgt er voor dat we koude en warme winters perfect met elkaar kunnen vergelijken. Pas na het verstrijken van iedere maand ontvangen we van het KMI de zogenaamde graaddagen. Dat is een maat voor hoe koud het is geweest. Voor de periode waarin we nog niet beschikken over deze graaddagen, hanteren we een gemiddelde van de laatste 7 jaren. Op het moment dat we deze graaddagen invullen, worden de ingegeven meetresultaten op de website gecorrigeerd. Ook de referentieperiode wordt gewogen aan de bijpassende graaddagen. Op die manier bekomen we een correcte vergelijking onafhankelijk van de buitentemperaturen. Verschiet dus niet als je besparingscijfers in het begin van de maand wat veranderen.
Wat is een referentieverbruik?
Een referentieverbruik is het energieverbruik van het voorbije jaar waarmee we je huidig verbruik zullen vergelijken. Het referentieverbruik vind je op een energie afrekening. Een referentieverbruik is steeds van het zelfde huis en in min of meer dezelfde omstandigheden als tijdens de meetcampagne. De periode van een referentieverbruik is minimum 9 maanden lang en met een winter inbegrepen. Als je bent verhuisd, zal het misschien moeilijk zijn om aan een referentieverbruik te geraken. Je kan sowieso meedoen aan klimaatwijken, maar je resultaten zullen bij gebrek aan referentieverbruik niet meetellen in het resultaat van de klimaatwijk. Als je veranderd bent van leverancier, krijg je sowieso een afrekening. Is deze geen negen maanden, dan kan je een vorige eindafrekening gebruiken. Heb je een referentieverbruik dat groter is dan 12 maanden, dan is dit uiteraard geen probleem. Buitensporig verbruik in een korte periode wordt op die manier immers verder uitgevlakt.
We raden ook aan de periode voor je referentieverbruik uit te breiden tot de begindatum van je meetperiode. Je hoeft dan nog slechts één referentiemeterstand op te zoeken.
Wat is primaire energie?
Primaire energie is energie aan de bron. Het is de energie die gevat zit in de fossiele brandstoffen en die vrij komt bij verbranding. De energie-waarde in elektriciteit is 2,5 maal minder dan in fossiele brandstoffen omdat je van fossiele brandstoffen naar elektriciteit een lange weg moet afleggen met veel energieverlies (er komt veel warmte vrij die op de meeste plaatsen in Vlaanderen nauwelijks wordt benut, er is een turbine nodig, een alternator en net van hoog- en laagspanningsleidingen die de elektriciteit tot aan het stopcontact brengen).
Voor de berekening van de CO2-uitstoot wordt de niet groene energie met een factot 2.5 vermenigvuldigd.
Hoe mijn isolatieniveau bepalen?
Elke
deelnemer heeft op de site zijn wijze van verwarming, koken, en
warmwaterproductie ingevuld (bv verwarming op gas, koken op elektriciteit,
warmwaterproductie op gas) en zijn isolatieniveau (niet, matig, sterk)
aangeduid.
Het
programma berekent vervolgens hoeveel procent van het gas- en
elektriciteitsverbruik naar deze verschillende toepassingen gaat. Dit wordt
gebaseerd op historische meetgegevens voor de drie isolatieniveaus. Het is dus
een gemiddelde weergave.
Vroeger
gingen we uit van één gemiddeld isolatieniveau. Bij personen met een heel goed
geïsoleerd huis of een niet-geïsoleerd huis gaf dit soms wat vertekende
waarden. Immers als je huis heel goed geïsoleerd is zal er procentueel minder
energie naar verwarming gaan dan in een niet geïsoleerd huis.
Dit proberen
we dus op te vangen door te peilen naar het isolatieniveau van uw huis.
Mensen die onlangs verbouwingen hebben gedaan, of een nieuwbouw hebben gezet zullen dit vermoedelijk kunnen inschatten.
Als je de K-waarde kent van je huis is er geen probleem. De K-waarde is een maat voor het gemiddelde warmteverlies van een gebouw via de volledige buitenomhulling (zowel muren als daken, vloeren, …) in verhouding tot de compactheid van het gebouw. Hoe lager de K-waarde, hoe beter het gebouw geïsoleerd is.
K150: niet geïsoleerd: geen
isolatie, enkel glas
K65: matig geïsoleerd:
dubbele beglazing,
10 cm
dak- en wandisolatie
K45: goed geïsoleerd: hoog
rendementsbeglazing, zowel dak (
20
cm), muur als vloerisolatie
Heb je nog steeds geen idee dan kan je ook afgaan op het bouwjaar van je huis
slecht: geen
of nauwelijks isolatie, meestal voor 2004 (sommige woningen werden wel al
geïsoleerd)
matig: 2004
– 2006
goed: na 2006
